Kolgans
Anser albifrons
De kolgans is goed herkenbaar aan de witte bles (kol) aan de basis van de snavel en de zwarte strepen op de buik. Kolganzen grazen op voedselrijke graslanden in open gebieden en eten vooral gras, maar soms ook oogstresten van suikerbieten. In hele natte gebieden eten de ganzen ook graswortels en wilde planten op akkers.
De kolgans is een van de meest veelvoorkomende, overwinterende ganzen van ons land. Kolganzen zijn hier voornamelijk aanwezig van oktober tot en met maart, maar broeden in de zomer in Groenland en het noorden van Rusland. In het midden van de winter zijn er bijna 900.000 kolganzen in ons land, 80% van de wereldpopulatie. De grootste aantallen zitten in graslanden in Fryslân en het rivierengebied. Dit zijn dus zeer belangrijke overwinteringsgebieden voor deze soort. En daarom heeft Nederland vanuit de Vogelrichtlijn een belangrijke verantwoordelijkheid voor de kolgans. Het landelijke aantal overwinterende vogels nam sinds 1975 flink toe. Deze toename komt deels door een herverdeling van de kolganzen die in Europa overwinteren en omdat er minder gejaagd wordt. Tegelijkertijd kwamen de eerste ganzen steeds vroeger naar ons land en namen de ganzen nieuwe verblijfplaatsen in gebruik. Boeren zijn soms niet zo blij met de aanwezigheid van ganzen, waaronder de kolgans, omdat deze gras van hun land eten en het land beschadigen. Ganzen worden daarom verjaagd en soms zelfs bejaagd.
Voor de kolgans is het belangrijk dat er genoeg rustige gebieden zijn waar ze eten kunnen zoeken en kunnen rusten en slapen. En waar ze dus niet verjaagd worden.
















