Noordse stern
Sterna paradisaea
De noordse stern is een trekvogel die overwintert in het zuidpoolgebied en voornamelijk broedt in arctische gebieden. Nederland ligt aan de zuidkant van het broedgebied. De eerste Noordse sterns van het seizoen komen begin april naar Nederland. De Noordse stern broedt het liefst op zandige eilanden en droge schelpenbanken die af en toe overstromen. In de broedplekken moeten geen mensen en roofdieren komen. Vaak broedt de Noordse stern in de buurt van van visdieven. Noordse sterns duiken naar kleine vissen en garnalen bij de kust, in geulen en plekken waar zout en zoet water samenkomt. Maar ook verder van de kust, op de Waddenzee en de Noordzee. Na de broedtijd wordt de Noordse stern een echte zeevogel. Via ver van de kust afgelegen eetgebieden trekt de Noordse stern over de Atlantische Oceaan naar het zuidelijk halfrond. Een gezenderde Nederlandse Noordse stern is in het bezit van het trekrecord van alle vogels: 90.000 kilometer in één jaar tijd.
Voor de Noordse stern is het belangrijk dat er voldoende plekken zijn om te broeden. Dat doen ze het liefst op plekken waar nog weinig andere soorten leven. De Noordse stern kan meeliften op maatregelen voor visdief, zoals het aanleggen van veilige broedeilanden in de buurt van goede voedselgebieden en het lokaal afrasteren van bestaande groepen om te voorkomen dat roofdieren ze aanvallen. Verder moeten groepen vogels tegen recreanten worden beschermd. Een aantal belangrijke broedplaatsen is goed beschermd (Griend, Rottumerplaat), maar bij de broedplaatsen langs de Friese kust hebben de Noordse sternen nog veel last van verstoring door recreanten.
















